Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 december 2004

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 7 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR3021.

4.2 Ingevolge art. 36e, zesde lid, Sr is de rechter slechts dan verplicht om de vordering van een derde tot vergoeding van de schade die deze heeft geleden als gevolg van het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de ontnemingsvordering, in mindering te brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, indien de uitspraak waarbij deze vordering is toegewezen, onherroepelijk is.(11) Wél staat het de rechter vrij om - zoals in casu het geval is - ook indien er nog geen sprake is van een onherroepelijke toekenning, de aan de benadeelde derde verschuldigde som op grond van art. 36e, zesde lid, Sr in mindering te brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat.(12)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b6e41b7446f2869a0c2d0d4a7c788c42587a108e3d4ee134f605a0d6ebdbb59b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b6e41b7446f2869a0c2d0d4a7c788c42587a108e3d4ee134f605a0d6ebdbb59b, en de alinea staat in dat document op bytes 12931 tot 13685.