Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 november 2004
Alinea 10 Parket bij de Hoge Raad 16 november 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR3217.
3.2 Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging primair aangevoerd dat de door de het slachtoffer [slachtoffer], haar broer [zoon van verdachte] en hun moeder [vrouw van verdachte] afgelegde verklaringen niet overtuigend zijn. Verder is gesteld dat het opmerkelijk is dat er geen directe getuigen zijn geweest van het misbruik, bijvoorbeeld de broer [zoon van verdachte], de moeder [vrouw van verdachte] en de latere vriendinnen van verdachte, [betrokkene 1 en 2]. De verdediging heeft er voorts op gewezen dat de delicten lange tijd geleden hebben plaatsgevonden en dat de verhoorwijze van [zoon van verdachte] en [vrouw van verdachte] zodanig was dat de door hen afgelegde verklaringen onbetrouwbaar waren. Subsidiair heeft de verdediging het volgende aangevoerd:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cc22cd0f3a67b4443c79cbd5766e29aedb3fa71fd7746f34b72434aa15223c2c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cc22cd0f3a67b4443c79cbd5766e29aedb3fa71fd7746f34b72434aa15223c2c, en de alinea staat in dat document op bytes 5002 tot 5794.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cc22cd0f3a67b4443c79cbd5766e29aedb3fa71fd7746f34b72434aa15223c2c | shasum -a 256