Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR3634.
2.14. Het slot van het vijfde lid ("behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt") is de vrucht van een langdurige discussie over de vraag of een opzettelijke misleiding op één onderdeel van de schade behoort te leiden tot het verval van het gehele recht op een verzekeringsuitkering. Enkele weken geleden is die vraag aan de Hoge Raad voorgelegd(10). Aanvankelijk heeft de Raad van Toezicht voor het Schadeverzekeringsbedrijf (thans: Raad van Toezicht Verzekeringen) zich op het standpunt gesteld dat de sanctie van verlies van het recht op een uitkering na laakbare gedragingen als bedrog, misleiding, wanprestatie en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, óók ter zake van schade die met inachtneming van strenge eisen van bewijs als daadwerkelijk geleden ter zake van een gedekt evenement is komen vast te staan, in het algemeen niet gerechtvaardigd is. Daarbij speelde een rol dat ingevolge art. 6:237, aanhef en onder h, BW een in algemene voorwaarden voorkomend beding dat als sanctie op bepaalde gedragingen van de wederpartij, nalaten daaronder begrepen, het verval stelt van aan de wederpartij toekomende rechten, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn behoudens voor zover deze gedragingen het verval van die rechten rechtvaardigen. De burgerlijke rechter was eerder dan de Raad van Toezicht geneigd verval van het gehele recht op uitkering aan te nemen(11). Op 8 april 2002 is de Raad van Toezicht Verzekeringen gedeeltelijk van zijn jurisprudentie teruggekomen. Hij neemt nu tot uitgangspunt dat indien de verzekeraar in de verzekeringsvoorwaarden een zodanig beding heeft opgenomen het recht op uitkering vervalt wanneer de verzekerde, wetende dat het risico zich heeft verwezenlijkt, met het opzet om de verzekeraar te misleiden dit niet aan de verzekeraar meldt of aan de verzekeraar niet binnen een redelijke termijn alle inlichtingen en bescheiden verschaft welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen, behoudens voor zover bijzondere omstandigheden met zich brengen dat de misleiding het (gehele) verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. De Raad van Toezicht acht de verzekeraar die de sanctie van verval van het recht op uitkering wil inroepen verplicht te onderzoeken of de bijzondere omstandigheden van het concrete geval nopen tot de toepassing van een minder ver gaande sanctie. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn bij frauduleus handelen dat slechts betrekking heeft op één van de schadevorderingen die de betrokkene onder verschillende rubrieken van de polis heeft ingediend, terwijl de geclaimde schaden onder andere rubrieken met inachtneming van strenge eisen van bewijs zijn komen vaststaan. Ook worden de ernst van het bedrog of de betrekkelijk geringe gevolgen ervan in aanmerking genomen. In het algemeen wordt gedacht aan gevallen waarin een geheel verval van het recht op uitkering ontoelaatbaar hard zou zijn(12). De omslag houdt verband met de nota van wijziging(13), waarbij de eerdergenoemde slotzin aan het vijfde lid van art. 7.17.1.14 werd toegevoegd. De toelichting op deze wijziging houdt in:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0dfaa26fddd307cfd8c16391d852d6d011b10a6d29b238b24e2304444c6ba27c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0dfaa26fddd307cfd8c16391d852d6d011b10a6d29b238b24e2304444c6ba27c, en de alinea staat in dat document op bytes 23088 tot 26256.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0dfaa26fddd307cfd8c16391d852d6d011b10a6d29b238b24e2304444c6ba27c | shasum -a 256