Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 november 2004

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 30 november 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR3721.

13. De hiervoor aangehaalde opmerking van de Minister is slechts terloops en in ander verband gemaakt. Daarom acht ik deze niet van voldoende gewicht om tot een ander standpunt te besluiten. Ik wijs ook op de door Reijntjes genoemde bezwaren die aan een ander oordeel verbonden zijn en voorts op HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841. Uit de omstandigheid dat de Hoge Raad bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel weigert rekening te houden met een teleurstellende belegging van het verkregen voordeel in drugs put Keulen(6) mijns inziens terecht het vermoeden dat de Hoge Raad ook met het gestolen zijn van de wederrechtelijk verkregen goederen bij de bepaling van de omvang van het verkregen voordeel geen rekening zal willen houden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1dea59c8521668ea78f68e4d35b78bd7babc1ec56dd559bc637b17c563264458. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1dea59c8521668ea78f68e4d35b78bd7babc1ec56dd559bc637b17c563264458, en de alinea staat in dat document op bytes 13406 tot 14177.