Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004

Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4151.

2.5 Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, nu het hof heeft geoordeeld dat de bewijslast van de inhoud en strekking van art. 12 lid 3 op [verweerder] rust. Het hof heeft vervolgens - op grond van een voorshands aannemelijkheid van de juistheid van de stellingen van [verweerder] - overwogen dat [verweerder] voorshands dit bewijs geleverd heeft en dat Ampatil tegenbewijs mocht leveren.(4) Wanneer de rechter, behoudens tegenbewijs, iets op voorhand aannemelijk acht, of, indien hij woorden van gelijke strekking bezigt, is daarmee gezegd dat het bewijs geacht moet worden te zijn geleverd, wanneer de wederpartij in het tegenbewijs niet slaagt. Dit "tegenbewijs" betekent evenwel nadrukkelijk niet dat de bewijslast wordt omgekeerd.(5) Het belangrijkste verschil tussen een omkering van de bewijslast enerzijds en het tot op tegenbewijs aanvaarden van de juistheid van de stellingen van degene die bewijzen moet anderzijds, is dat in het eerste geval ook het bewijsrisico verschuift en in het tweede geval niet.(6) Overigens is voor het slagen van het tegenbewijs is voldoende dat het door de partij op wie de bewijslast rust, geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd.(7)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/375d796c0b16fbdaee246c71565e9d25dcb6fd0c603e0fa2c4e90b910f8309af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 375d796c0b16fbdaee246c71565e9d25dcb6fd0c603e0fa2c4e90b910f8309af, en de alinea staat in dat document op bytes 20973 tot 22162.