Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2004

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4484.

"3.6.2 Het onderdeel, dat met zijn eis dat het hof ingevolge art. 1:402 BW "een ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting" had moeten vaststellen eraan voorbijziet dat in 's hofs beslissing tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en afwijzing van het verzoek van de vrouw besloten ligt dat de bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 20 december 2001 op nihil wordt bepaald, faalt. Anders dan het geval was in de zaak waarop de door het onderdeel aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 20 september 2002, nr. R01/090, NJ 2003, 47, betrekking heeft, gaat het hier niet om wijziging of intrekking van een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage (en evenmin om een beslissing waarbij uitgangspunt is dat behoeftigheid en behoefte ongewijzigd zijn gebleven). Of de rechter die, zoals het hof heeft gedaan, in hoger beroep alsnog een verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage afwijst op de grond dat, anders dan de rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld, van behoeftigheid geen sprake is (geweest), gehouden is te motiveren waarom van de verzoeker kan worden verlangd dat al hetgeen aan onderhoudsbijdragen voldaan is, wordt terugbetaald, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het onderdeel voert aan dat het hof op dit punt tot motivering gehouden was omdat zijn oordeel dat van behoeftigheid geen sprake is uitsluitend is gebaseerd op het oordeel dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij 30 uur per week gaat werken en dat zij zich inkomen kan gaan verwerven door verhuur van het appartement in Zwitserland. In aanmerking genomen echter dat a) ook de rechtbank reeds rekening had gehouden met een (hoger) bedrag aan inkomsten uit verhuur, b) 's hofs beslissing niet alleen gegrond is op de twee genoemde vormen van fictief inkomen - anders dan het onderdeel veronderstelt, geldt hetgeen het hof daaromtrent heeft geoordeeld ook voor de periode vóór de uitspraak in hoger beroep - maar evenzeer op zijn oordeel dat de behoefte van de vrouw te stellen was op een bedrag dat € 1.062,-- lager lag dan het door de rechtbank in aanmerking genomen, maar door het hof tot een totaal van € 971,-- als buitensporig en onredelijk aangemerkte bedrag en c) de vrouw niet heeft aangevoerd dat zij niet of slechts in termijnen tot terugbetaling van eventueel ten onrechte voldane onderhoudsbijdragen in staat was, behoefde de hier aan de orde zijnde beslissing geen nadere motivering dan door het hof is gegeven."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/edeb50d10a98953949f545b98c308e589ab6f2f26acfe1bcb1abd5862503c5d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt edeb50d10a98953949f545b98c308e589ab6f2f26acfe1bcb1abd5862503c5d6, en de alinea staat in dat document op bytes 9094 tot 11573.