Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 december 2004

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 21 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR5100.

21. Overigens meen ik - in het verlengde van de bespreking van de tweede klacht - dat niet relevant is of de verdenking van de opsporingsambtenaren jegens [medeverdachte] als zodanig terecht was op het moment dat verdachte zich ermee bemoeide. Anders gezegd, het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat het verdachte vrij stond, zo hij de hem verweten gedraging al heeft begaan, zulks te doen, is zonder nadere motivering - die ontbreekt - onbegrijpelijk omdat het niet aan verdachte was de aanhouding van [medeverdachte] te beoordelen op rechtmatigheid. Ik kan mij daarop maar één uitzondering voorstellen, en dat is wanneer het politieoptreden evident onrechtmatig is. Dat was in casu evident niet zo.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/40dcafbff3d73f0e7d0160110f8ed70ee2f2d3bb0f8f5362a8569dc3fb4d58a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 40dcafbff3d73f0e7d0160110f8ed70ee2f2d3bb0f8f5362a8569dc3fb4d58a0, en de alinea staat in dat document op bytes 26262 tot 27001.