Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2005

Alinea 298 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AP4584.

Op 23 januari 2001 heb ik als zaaksofficier van justitie opdracht gegeven aan de leiding van het TOL-team om alle gesprekken over de in totaal 11 telefoonlijnen die in het kader van het ZED-traject werden afgeluisterd, uit te luisteren en te noteren. Daarop zou ik bepalen welke gesprekken verwijderd moesten worden omdat het een geheimhoudersgesprek betrof. Het is dus niet zo dat alle gesprekken die vanaf 20 mei 2000 tot op dat moment als geheimhoudersgesprek waren weggezet, alsnog uitgewerkt moesten worden. Mijn opdracht betrof enkel en alleen de 11 lijnen van het ZED-traject. Het doel van het afluisteren van de telefoonlijnen was gelegen in de noodzaak om zicht te krijgen op de contacten en bewegingen van de gebruikers van die lijnen. Dit was eveneens van belang voor de stelselmatige informatie-inwinning ex artikel 126j Wetboek van Strafvordering, die in het kader van hetzelfde GVO in dezelfde periode gestart is. En met deze handelwijze werd gevolg gegeven aan het bepaalde in de artikelen 126m, lid 4 juncto artikel 126l, lid 8 Wetboek van Strafvordering, artikel 126aa, lid 2 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d58e2e9c7bd5b2ed8f347cf5a9f10a3b73d39b70a640ed6e3147ab8436ce8423. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d58e2e9c7bd5b2ed8f347cf5a9f10a3b73d39b70a640ed6e3147ab8436ce8423, en de alinea staat in dat document op bytes 109724 tot 110931.