Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2005

Alinea 329 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AP4584.

90. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Om met dit verweer het daarmee beoogde resultaat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie te bereiken, moest vast komen te staan, en nu verval ik in herhaling, dat door het gestelde onjuist voorlichten moedwillig of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte inbreuk was gemaakt op verzoekers recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak. De verwerping van het verweer is gegeven met 's hofs vaststelling dat niet is gebleken dat de verzuimen moedwillig zijn begaan alsmede in zijn vaststelling dat verzoeker niet in zijn verdediging is geschaad, welke vaststelling in het middel overigens niet wordt aangevallen. Dat het hof daarbij ook de door de verdediging aangekaarte onjuiste voorlichting in zijn beoordeling heeft betrokken blijkt uit de zinsnede "ondanks soms tegenstrijdige mededelingen van de zijde van de vervolgende instanties."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d58e2e9c7bd5b2ed8f347cf5a9f10a3b73d39b70a640ed6e3147ab8436ce8423. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d58e2e9c7bd5b2ed8f347cf5a9f10a3b73d39b70a640ed6e3147ab8436ce8423, en de alinea staat in dat document op bytes 123816 tot 124756.