Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2005
Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR4035.
Vooropstellend dat ervan moet worden uitgegaan dat - door vestiging - ten gunste van perceel [a-straat 1] en ten laste van perceel [b-straat 1] een erfdienstbaarheid van uitgang bestaat en voorts dat tussen partijen vaststaat dat de percelen [a-straat 1] en [a-straat 2] zijn samengevoegd tot één bedrijfsgebouw, heeft het hof overwogen dat de door [eiser] gevorderde opheffing van de erfdienstbaarheid in beginsel voor toewijzing vatbaar is. Dit, omdat bedoelde samenvoeging meebrengt dat het voor de rechthebbende op het perceel [a-straat 1] en voor zijn bezoekers en/of werknemers (praktisch) onmogelijk in de zin van art. 5:79 BW is geworden om de ten gunste van dat perceel gevestigde erfdienstbaarheid uitsluitend in die hoedanigheid uit te oefenen en dat het voor de rechthebbende op het dienende erf in ieder geval (feitelijk) onmogelijk is geworden dat gebruik in die zin te doen beperken, terwijl niet is gesteld of aannemelijk geworden dat de mogelijkheid tot het uitoefenen van de erfdienstbaarheid zal terugkeren waarvoor (tenminste) splitsing van de percelen [a-straat 1 en 2] noodzakelijk zou zijn. Refererend aan het betoog van [eiser] dat bij de vestiging van de erfdienstbaarheid het heersende erf een woonfunctie had terwijl er inmiddels sprake is van een bedrijfsgebouw op meer dan uitsluitend het heersende erf, heeft het hof voorts nog overwogen dat indien zou worden geoordeeld dat de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid door samenvoeging van de percelen [a-straat 1 en 2] niet onmogelijk is geworden, de erfdienstbaarheid in ieder geval is verzwaard op een wijze die bij de vestiging daarvan kennelijk niet was voorzien, zodat van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd dat verzwaarde erfdienstbaarheid ongewijzigd in stand blijft. Het hof heeft vervolgens overwogen voorshands - gelet op de omstandigheid dat de rechthebbende op het heersende erf de voorwaarden voor de opheffing van de erfdienstbaarheid zelf in het leven heeft geroepen - geneigd te zijn aan die opheffing geen voorwaarden ten gunste van [verweerster] te verbinden, doch niettemin [verweerster] in de gelegenheid te zullen stellen bij akte een andere opvatting kenbaar te maken. Onder verwijzing naar art. 5:81 lid 2 BW - inhoudende dat ingeval op een erf een beperkt recht rust, een vordering tot opheffing van een erfdienstbaarheid slechts worden toegewezen indien de beperkt gerechtigde in het geding is geroepen - heeft het hof overwogen dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld bij akte nadere inlichtingen te verstrekken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c1edbb39f40e7ac3e39706ecb57dc0820466ed3fdb1dc8c90f79b1a70b05ced1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c1edbb39f40e7ac3e39706ecb57dc0820466ed3fdb1dc8c90f79b1a70b05ced1, en de alinea staat in dat document op bytes 11040 tot 13641.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c1edbb39f40e7ac3e39706ecb57dc0820466ed3fdb1dc8c90f79b1a70b05ced1 | shasum -a 256