Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2005

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR4035.

Vervolgens heeft het hof in verband met de door art. 5:81 lid 2 BW vereiste oproeping van beperkt gerechtigden overwogen dat aangenomen moet worden dat een dergelijke oproeping (in beginsel) niet eerst in appel kan plaatsvinden omdat dit die rechthebbende een tweede instantie zou onthouden, dat [verweerster] in haar akte heeft gesteld dat op het heersende erf een recht van hypotheek van Fortis Bank Nederland B.V. (verder ook: Fortis Bank) rust, dat [eiser] deze stelling niet heeft betwist en voorts dat [eiser] deze hypotheekhouder niet in het geding heeft geroepen, zodat de vordering tot opheffing afgewezen zou moeten worden. Het hof heeft evenwel geoordeeld dat een goede procesorde zich niet ertegen zou verzetten de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid, al dan niet onder door de hypotheekhouder te stellen voorwaarden, toe te wijzen indien de hypotheekhouder alsnog vrijwillig in het geding zou verschijnen of indien de hypotheekhouder in een onmiskenbaar van hem afkomstige verklaring, bij voorkeur vastgelegd in een notariële akte, te kennen zou geven tegen toewijzing van de vordering geen bezwaar te hebben.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c1edbb39f40e7ac3e39706ecb57dc0820466ed3fdb1dc8c90f79b1a70b05ced1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c1edbb39f40e7ac3e39706ecb57dc0820466ed3fdb1dc8c90f79b1a70b05ced1, en de alinea staat in dat document op bytes 14492 tot 15641.