Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2005

Alinea 261 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR5213.

"3.4 (...) Het Hof overweegt dienaangaande dat dient te worden vastgesteld of in het licht van de algemene regels met betrekking tot het tot stand komen van overeenkomsten, grond bestaat voor het oordeel dat de ouders pro se met Weidema c.s. hebben gecontracteerd. Daarbij gaat het Hof klaarblijkelijk en terecht ervan uit dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden dan wel in naam van een derde - in welk geval deze derde wederpartij van evenbedoelde ander wordt - afhangt van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Bij beoordeling van de vraag of de ouders mede partij waren bij de overeenkomst, heeft het Hof tot uitgangspunt genomen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/261b6ab7c1f55117c42326c2bcbeb460057189bb8ebc2ede17eb672ce6f88b28. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 261b6ab7c1f55117c42326c2bcbeb460057189bb8ebc2ede17eb672ce6f88b28, en de alinea staat in dat document op bytes 123498 tot 124398.