Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2005

Alinea 69 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR7925.

12 Ik maak mij er vanzelfsprekend geen illusies over dat partijen daar waar zij die mogelijkheid hebben, potentiële getuigen wèl zullen "uithoren", om van verdergaande beïnvloeding nog maar te zwijgen. De mens is, zo wordt ons geleerd, tot het slechte geneigd, en bovendien is het hier bedoelde gedrag, hoewel misschien niet wenselijk, in het algemeen niet verboden (zie in dit verband bijvoorbeeld Regel 16 van de Gedragsregels voor advocaten, Schuurman & Jordens editie 39, 2003, p. 412). Dat neemt niet weg dat de regels van procesrecht dat gedrag niet behoren aan te moedigen (laat staan: daartoe noodzaken, op straffe van voorbijgaan aan het desbetreffende gegeven).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3e2bbbf4f017b008a4910d38892304111642383b4410162b4bd1a8f43ad88ab3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3e2bbbf4f017b008a4910d38892304111642383b4410162b4bd1a8f43ad88ab3, en de alinea staat in dat document op bytes 26341 tot 27032.