Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2005

Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS2706.

Van een verplichting tot doorhandelen kan in het bijzonder sprake zijn, indien de onderhandelingen over een overeenkomst in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken daarvan in strijd met de goede trouw moet worden geacht, omdat partijen over en weer mochten vertrouwen dat in ieder geval enigerlei contract uit de onderhandelingen zou resulteren(24). Een voldoende "totstandkomingsvertrouwen" mag intussen niet te snel worden aangenomen. Daaraan kan onder meer in de weg staan dat partijen het nog niet eens zijn over punten van niet-ondergeschikt belang(25). Overigens brengt het bestaan van zodanig vertrouwen niet onder alle omstandigheden mee dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar moet worden geacht. Ook moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt, tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen, en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij(26).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ffc3a2b7b70a17f25c5c16d74090849f7354fa920fd56c4ae11f502bd1adcd3e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ffc3a2b7b70a17f25c5c16d74090849f7354fa920fd56c4ae11f502bd1adcd3e, en de alinea staat in dat document op bytes 43422 tot 44395.