Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 november 2005

Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 25 november 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS3559.

5.17 In het eerste cassatiemiddel wordt vervolgens een beroep gedaan op de derde alinea van artikel 4, lid 5, van de Zesde Richtlijn juncto bijlage D, punt 5. Daaruit volgt dat een publiekrechtelijk lichaam in ieder geval ondernemer is voor werkzaamheden bestaande uit personenvervoer, voorzover deze niet van onbeduidende omvang zijn. Belanghebbende stelt, anders dan geoordeeld door het Hof, dat zij vervoersprestaties verricht. Voorts wordt gesteld dat het, voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van het verrichten van personenvervoer, niet van belang is of er - zoals het Hof heeft geoordeeld - privaatrechtelijk van een vervoersovereenkomst kan worden gesproken. Het gaat er, volgens het cassatiemiddel, om of belanghebbende een prestatie verricht bestaande uit het vervoeren c.q. doen vervoeren van personen. Indien artikel 8:1140 van het Burgerlijk Wetboek wel zou moeten worden getoetst, dan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende personen vervoert, aldus het middel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecd9ce7095f68166556d9bf4d9e88a649a4ec0d5021b32b1aedd35e51cbcb00b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecd9ce7095f68166556d9bf4d9e88a649a4ec0d5021b32b1aedd35e51cbcb00b, en de alinea staat in dat document op bytes 27813 tot 28818.