Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 november 2005

Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 25 november 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS3559.

5.23. Voor de heffing van omzetbelasting moet het voor mogelijk worden gehouden dat een persoon geacht wordt een bepaalde prestatie te verrichten, hoewel hij deze de prestatie zelf niet feitelijk verricht, maar daartoe derden inschakelt. Ik verwijs hier naar artikel 4, derde lid Wet OB, en artikel 6, vierde lid Zesde Richtlijn, waarin de fictie is opgenomen dat, indien een dienst wordt verricht door tussenkomst van een commissionair die op eigen naam maar voor rekening van een ander optreedt, die dienst geacht wordt aan en vervolgens door de commissionair te zijn verricht. Het is twijfelachtig of belanghebbende op basis van deze fictie geacht kan worden vervoersdiensten te verrichten. Uit de feiten als vastgesteld door het Hof en de stukken van het geding blijkt namelijk niet dat belanghebbende voor rekening van C handelt in de zin van bedoelde bepalingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecd9ce7095f68166556d9bf4d9e88a649a4ec0d5021b32b1aedd35e51cbcb00b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecd9ce7095f68166556d9bf4d9e88a649a4ec0d5021b32b1aedd35e51cbcb00b, en de alinea staat in dat document op bytes 31030 tot 31912.