Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 maart 2005

Alinea 133 Parket bij de Hoge Raad 15 maart 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 maart 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS4744.

14 Vgl. HR 2 september 1997, NJ 1998, 74. In die zaak had het hof had verzuimd uitdrukkelijk in te gaan op het verweer dat art. 56 Sr van toepassing was en niet art. 57 Sr, waarna de Hoge Raad oordeelde dat het middel dat daarover klaagde terecht was voorgesteld, maar dat cassatie achterwege kon blijven omdat de verdachte daarbij geen redelijk belang had, nu toepassing van art. 56 in dat geval niet tot een ander strafmaximum zou hebben geleid. Zie in dit verband ook HR 12 december 1995, NJ 1996, 276. In HR 8 oktober 2002, nr. 01575/01, bleef vernietiging achterwege toen het hof verscheidene gevallen van schuldheling had gekwalificeerd als 'schuldheling' en werd geklaagd dat het hof ten onrechte had nagelaten toepassing te geven aan hetzij art. 57 lid 1 Sr, hetzij art. 56 Sr. Dit behoefde volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te leiden omdat de verdachte daarbij geen redelijk belang had: toepassing van art. 57 Sr zou slechts een strafverzwarende invloed kunnen hebben, terwijl toepassing van art. 56 Sr niet tot een ander strafmaximum zou leiden. Zie in dit verband ook HR 22 oktober 2002, nr. 02584/01 en HR 14 september 2004, LJN AP4226.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd258fb9efee35a53dcb58c11da37843e4883fa3ac66d78f84350d330b19f340. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd258fb9efee35a53dcb58c11da37843e4883fa3ac66d78f84350d330b19f340, en de alinea staat in dat document op bytes 42313 tot 43510.