Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS5109.

16. De bepaling van art. 10 lid 2, aanhef en onder a, Wca is in zoverre nieuw, dat daarin ten aanzien van de erkenning van de geldigheid van een in het buitenland totstandgekomen erkenning van een minderjarige toepassing van de openbare orde-exceptie dwingend wordt voorgeschreven in het geval de erkenning is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen. Beslissend voor het lot van de onderhavige cassatieklacht is derhalve of onder het tijde van de erkenning van [verzoeker] door [de vader] (5 november 2001) geldende ongeschreven Nederlandse internationaal privaatrecht inzake afstamming toepassing van de algemene openbare orde-exceptie geboden zou zijn geweest en hetzelfde resultaat zou zijn bereikt als bij toepassing van het voorschrift van art. 10 lid 2, aanhef en onder a, Wca.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc765df61693f3519a9ab78d6e7149a6dcfd63ad302d624a824488ca26562040. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc765df61693f3519a9ab78d6e7149a6dcfd63ad302d624a824488ca26562040, en de alinea staat in dat document op bytes 17270 tot 18126.