Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2005
Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS5953.
2.7 Ik behandel eerst het incidentele middel teneinde de conclusie een enigszins logische opbouw te geven. Het incidentele middel wordt tevergeefs voorgesteld. Het standpunt dat is verwoord in het van de kant van de Staat aangevoerde middel heeft de charme van de eenvoud. In de visie van de Staat is ieder (voorgenomen) besluit dat afkomstig is van een democratisch gecontroleerd orgaan aan de medezeggenschap van de Wet op de ondernemingsraden onttrokken, tenzij het gaat om een specifieke regeling van de personele gevolgen van een dergelijk besluit. Het gevolg van dit standpunt is dat niet de aard en de inhoud van het betrokken besluit van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de uitzondering van artikel 46d onder d van de Wet op de ondernemingsraden van toepassing is. Het is slechts van belang of het (voorgenomen) besluit door een democratisch gecontroleerd is genomen. De Staat heeft deze heldere benadering enigszins genuanceerd door eraan toe te voegen dat de mogelijkheid van democratische controle ook daadwerkelijk aanwezig dient te zijn(6). Deze toevoeging maakt het standpunt van de Staat iets minder eenvoudig toe te passen dan het op het eerste gezicht lijkt. De Hoge Raad heeft in zijn tot dusverre op dit gebied gewezen beschikkingen grote betekenis toegekend aan de wetsgeschiedenis van artikel 46b onder d. Zo overweegt de Hoge Raad in zijn beschikking van 26 januari 2000(7): "Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 46d van de WOR, ...., blijkt onmiskenbaar enz enz". In zijn beschikking van 1 maart 2002(8) besteedt de Hoge Raad aandacht aan de bedoeling van de wetgever (zie ro. 3.6.3.). Uit het oogpunt van een consistente benadering van de onderhavige materie lijkt het mij juist ook voor de hier aaan de orde zijnde aangelegenheid te rade gaan in de parlementaire geschiedenis van artikel 46d, onder b. De parlementaire geschiedenis is voor het onderhavige vraagstuk niet eenduidig. Ik wijs op het hierboven, onder 2.2. van deze conclusie geciteerde slot van een passage uit de MvT. Dat slot lijkt te wijzen in de richting van het standpunt van de Staat waar daar wordt gerefereerd aan de figuur van de democratisch gecontroleerde organen. In de latere aan de Eerste Kamer aangeboden Memorie van Antwoord(9) is een enigszins andere en meer genuanceerde benadering te lezen:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49d2d921f453070172cb6c54e93a27268c2ef63a7f7195d901345f063ad815ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49d2d921f453070172cb6c54e93a27268c2ef63a7f7195d901345f063ad815ee, en de alinea staat in dat document op bytes 23889 tot 26221.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/49d2d921f453070172cb6c54e93a27268c2ef63a7f7195d901345f063ad815ee | shasum -a 256