Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2005
Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 2 september 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS6926.
3.10. Het uitzonderingskarakter van het tweede lid van art. 10 EVRM, bezien in het licht van de aangehaalde jurisprudentie van het EHRM, brengt mede dat het in een procedure als de onderhavige op de weg van de Staat ligt, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de inbreuk wordt gerechtvaardigd op grond van het tweede lid. De Staat bestrijdt dit uitgangspunt niet, maar meent dat hij aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat Ostade Blade c.s. zijn stellingen onvoldoende hebben bestreden, zodat het hof van de juistheid van die stellingen mocht uitgaan(20). De bewoordingen waarin rov. 10.7 is gegoten laten een dergelijke uitleg van het bestreden arrest niet toe. Ofschoon het hof eerder in zijn arrest naar de EHRM-jurisprudentie heeft verwezen, geven zowel de overweging dat "onvoldoende is gebleken" dat justitie het nagestreefde doel ook met minder vergaande middelen had kunnen bereiken, als de overweging dat Ostade Blade c.s. "niet hebben aangevoerd" dat justitie over voldoende andere middelen beschikte waarmee de daders van de bomaanslagen konden worden opgespoord "zodat de vraag of het, gelet op het belang van de vrije nieuwsgaring, niet op de weg van de Staat ligt om dit laatste in dit geding gemotiveerd te betwisten, niet behoeft te worden beantwoord" (zie rov. 10.7) blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht en de bewijslast. In de lijn van de aangehaalde jurisprudentie was het aan de Staat om aan te geven waarom in dit geval de doorzoeking in het kantoor van de redactie en de inbeslagneming van andere zaken dan de claimbrief noodzakelijk waren en waarom voor de opsporing van de daders van de bomaanslag en het voorkomen van een nieuwe aanslag niet kon worden volstaan met minder vergaande middelen dan deze. Daarbij komt, dat de betrokken burger in een dergelijke situatie veelal praktisch niet in staat zal zijn aan te geven wat de stand van het opsporingsonderzoek is en over welke andere, minder verstrekkende opsporingsmiddelen politie en justitie beschikken om het beoogde doel te bereiken. De klacht is derhalve gegrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fd9bee70cdcb10a9bedf7c447f8183d5235f92092b9b8f1099eb4df19f71534. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fd9bee70cdcb10a9bedf7c447f8183d5235f92092b9b8f1099eb4df19f71534, en de alinea staat in dat document op bytes 34365 tot 36450.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0fd9bee70cdcb10a9bedf7c447f8183d5235f92092b9b8f1099eb4df19f71534 | shasum -a 256