Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2005

Alinea 86 Parket bij de Hoge Raad 2 september 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS6926.

3.27. Het hof is klaarblijkelijk van oordeel dat de inbreuk op het privé-leven (persoonsgegevens en evt. correspondentie) bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk was in het belang van de openbare veiligheid en/of het voorkomen van strafbare feiten. Bij een inbreuk op een door art. 8 beschermd recht - waarvan het hof in rov. 10.9 veronderstellenderwijs is uitgegaan - geldt eveneens als uitgangspunt dat het op de weg van de inbreukmaker ligt, de uitzonderingsgronden als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 te stellen en zo nodig te bewijzen. Op zich is voorstelbaar dat een afweging onder art. 8 EVRM anders uitvalt dan die onder art. 10 EVRM. Gegeven de aard van de onderhavige gebreken(26), brengt de gegrondbevinding van onderdeel 4 echter mee dat ook onderdeel 5 slaagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fd9bee70cdcb10a9bedf7c447f8183d5235f92092b9b8f1099eb4df19f71534. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fd9bee70cdcb10a9bedf7c447f8183d5235f92092b9b8f1099eb4df19f71534, en de alinea staat in dat document op bytes 50609 tot 51437.