Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS7054.

18. Het vorenoverwogene voert tot de conclusie dat de in art. 1:252 BW besloten liggende beperking in strijd moet worden geacht met art. 6 lid 1 EVRM en dat die beperking op grond van art. 94 Grondwet buiten toepassing dient te blijven. Daartoe is niet noodzakelijk het artikel onverbindend te verklaren. Volstaan kan m.i. worden met een verdragsconforme uitleg van art. 1:253c lid 1 jo. art. 1:253e BW in dier voege dat in de eerstbedoelde bepaling geacht moet worden besloten te liggen dat de vader niet alleen om toekenning van éénhoofdig, maar ook van gezamenlijke gezag over het kind kan verzoeken, en dat in de laatstbedoelde bepaling geacht moet worden besloten te liggen dat, indien het verzoek van de vader ex art. 253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb3bcbde58779cc4b77fde3ce9108add11f1d76d472ed87d48930c219e35c1bc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb3bcbde58779cc4b77fde3ce9108add11f1d76d472ed87d48930c219e35c1bc, en de alinea staat in dat document op bytes 16637 tot 17598.