Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS7054.

19. Indien de door het middel aangevoerde klacht dat het niet-ontvankelijk verklaren door het hof van de vader in zijn verzoek tot toekenning van het gezamenlijk gezag over [het kind] in strijd is met het door art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter, gegrond wordt geoordeeld, behoeven de overige door het middel opgeworpen klachten geen behandeling. De vraag of in het kader van de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vader op de door de vader aan art. 8 lid 1 EVRM ontleende aanspraak op bescherming van zijn recht op "the exercise of parental rights" een inbreuk gerechtvaardigd is op grond van het bepaalde in art. 8 lid 2 EVRM, meer bepaald op grond van de rechten en vrijheden van de moeder en [het kind], zal na verwijzing onderzocht dienen te worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb3bcbde58779cc4b77fde3ce9108add11f1d76d472ed87d48930c219e35c1bc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb3bcbde58779cc4b77fde3ce9108add11f1d76d472ed87d48930c219e35c1bc, en de alinea staat in dat document op bytes 17618 tot 18424.