Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2005

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS8465.

3.16 In de casus die leidde tot HR 30 januari 2001, NJ 2001, 183, had de verdachte faxen, waarin hij de curator in zijn faillissement, mr. B., beschuldigde van oplichting, behalve aan het kantoor van mr. B. zelf gezonden aan de Rechter-Commissaris in het faillissement. De Hoge Raad oordeelde dat nu de bewijsmiddelen niet meer inhielden dan dat verdachte de faxen had verstuurd aan het kantoor van mr. B. zelf en een afschrift daarvan aan de Rechter-Commissaris, uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat was gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Mijn ambtgenoot mr. Keijzer merkt in zijn conclusie voor dit arrest mijns inziens terecht op dat geen sprake is van handelen met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven als een geschrift, houdende aantijging van een onjuiste taakvervulling, behalve aan de betrokkene uitsluitend wordt toegezonden aan de autoriteit tot wiens taak het behoort op de taakvervulling door die betrokkene toe te zien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae2f9bca72b417acfe83f113fa68441435cc02de2ef0d1aaf9a5c69006d30091. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae2f9bca72b417acfe83f113fa68441435cc02de2ef0d1aaf9a5c69006d30091, en de alinea staat in dat document op bytes 18508 tot 19526.