Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 april 2005

Alinea 75 Parket bij de Hoge Raad 29 april 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 april 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS8913.

4.9 In zijn toelichting op art. 337 van de Wet van 7 juli 1896, Stb. 103 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering (de Lex Hartogh)(15) heeft Hartogh vermeld dat in het oorspronkelijke voorstel door een toevoeging aan art. 53 Rv. aan de rechter de bevoegdheid was gegeven om zijn incidentele of interlocutoire uitspraak voorlopig uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, van welke bevoegdheid de rechter gebruik zou kunnen hebben maken indien hij van oordeel was dat het rechtsmiddel voornamelijk werd aangewend om de eindbeslissing op te houden. Dit doel werd door de Commissie van Voorbereiding gebillijkt, maar deze commissie voorzag moeilijkheden indien het geding tegelijkertijd in eerste aanleg en in appel werd behandeld. Om toch het gewenste doel te bereiken werd vervolgens het tweede lid van art. 337 Rv. oud geredigeerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e08c94832b4238d630f5ecf93c7cb6314ba654fe026d5f5b1fd7621f56b403bf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e08c94832b4238d630f5ecf93c7cb6314ba654fe026d5f5b1fd7621f56b403bf, en de alinea staat in dat document op bytes 29311 tot 30172.