Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2005

Alinea 95 Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT2829.

3.29 Vooropgesteld dient te worden dat het niet mogelijk is dat een niet naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon zelfstandig onderwerp wordt van een enquête. Art. 2:344 BW beperkt het enquêterecht tot de aldaar genoemde naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen. Er zijn niettemin mogelijkheden dat een onderzoeker ook het beleid van buitenlandse rechtspersonen in zijn onderzoek betrekt. Met name art 2:351 lid 2 BW(8) biedt hiertoe een ingang. Aangenomen wordt dat de daar geregelde machtiging tot het verkrijgen van inlichtingen over nauw verbonden rechtspersonen zich ook tot buitenlandse rechtspersonen kan uitstrekken.(9) Maeijer merkt ter relativering hiervan in dit verband op: "In het laatste geval (dat van een machtiging die zich tot een buitenlandse rechtspersoon uitstrekt, LT) zullen de onderzoekers de soevereiniteit van de buitenlandse rechtsorde hebben te respecteren; met vrijwillige medewerking van bij voorbeeld de buitenlandse rechtspersoon is echter veel te bereiken"(10). Met de gedachte van vrijwillige medewerking geeft Maeijer naar mijn inzicht aan dat buitenlandse rechtspersonen niet onder de rechtsmacht van de Nederlandse Ondernemingskamer vallen(11). Het geven van een bevel tot inzage van boeken en bescheiden is daarmee weinig zinvol. Een onderzoeker mag mijns inziens ook zonder toepassing van art. 2:351, lid 2 BW in het buitenland onderzoek doen, voor zover de buitenlandse autoriteiten dergelijke onderzoekactiviteiten toelaten en dit relevant is voor de beoordeling van het beleid dat is gevoerd bij de Nederlandse te onderzoeken vennootschap. Struycken merkt op: " Die territoriale werking van ons enquêterecht brengt echter niet mee dat het een onderzoeker niet vrij staat gegevens te verzamelen omtrent rechtspersonen gevestigd in het buitenland met welke de rechtspersoon die het onderwerp van de enquête vormt, is gelieerd, indien de onderzoeker dat voor het doel van de enquête nuttig acht. Het object van de enquête is niet territoriaal begrensd, noch volkenrechtelijk"(12). Deze onderzoeksmogelijkheden buiten de Nederlandse grenzen zijn van belang, omdat in een onderzoek naar het beleid van een Nederlandse rechtspersoon ook een zekere aandacht voor het beleid van naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen van belang kan zijn. Het staat buiten twijfel dat de Ondernemingskamer bij het oordeel of sprake is van wanbeleid bij de naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon omstandigheden mag betrekken die zich buiten Nederland bij buitenlandse rechtspersonen hebben voorgedaan met name in geval de onderzoekers over deze buitenlandse omstandigheden informatie hebben vergaard en deze omstandigheden licht werpen op gebeurtenissen in Nederland bij de te onderzoeken Nederlandse vennootschap.(13) Uiteraard kunnen slechts voorzieningen worden getroffen indien van wanbeleid van de Nederlandse vennootschap is gebleken. Deze voorzieningen zullen slechts ook de Nederlandse vennootschap kunnen betreffen.(14) Al met al is een zekere grensoverschrijdende werking van het enquêterecht mogelijk. Voor het enquêterecht geldt het territorialiteitsbeginsel niet in zeer strikte zin. Het mag pragmatisch, d.w.z. het doel van de enquête in aanmerking nemend, worden toegepast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/717d616ef9672187e91a785c741b637165cf6188e8ff528a3ee5a0f9a3a4e271. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 717d616ef9672187e91a785c741b637165cf6188e8ff528a3ee5a0f9a3a4e271, en de alinea staat in dat document op bytes 45345 tot 48603.