Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2005
Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT3659.
12. Voor een veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen: HR 18 januari 2005, LJN: AR7062. In de zaak die leidde tot dit arrest was bewezenverklaard dat de verdachte twee hoofdagenten had toegevoegd: "die kankerwouten, die teringlijers moeten ze allemaal afmaken". Als het hof had geoordeeld dat deze uitlatingen op zichzelf reeds van dien aard zijn dat zij bij de hoofdagenten een dergelijke vrees konden doen ontstaan, was dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, aldus de Hoge Raad, daarbij lettend op de algemene bewoordingen van die uitlatingen. Als het hof die uitlatingen niet op zichzelf had beschouwd, maar had geoordeeld dat de omstandigheden waaronder zij zijn gedaan meebrengen dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven sprake is, was dat oordeel volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd, nu de gebezigde bewijsmiddelen omtrent zodanige omstandigheden niets inhielden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/901a05ab48a2239f2cc56c31025f79bc4bd035af32adad9d13bdf4380b76e44b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 901a05ab48a2239f2cc56c31025f79bc4bd035af32adad9d13bdf4380b76e44b, en de alinea staat in dat document op bytes 11368 tot 12491.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/901a05ab48a2239f2cc56c31025f79bc4bd035af32adad9d13bdf4380b76e44b | shasum -a 256