Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2005

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT3659.

20. Tegen deze achtergrond acht ik 's hofs kennelijke oordeel dat de door verzoeker geuite bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen, niet voldoende met redenen omkleed. Uit de bewijsmiddelen zou immers wel kunnen worden afgeleid dat verzoeker [slachtoffer 1] heeft bedreigd met - gelet op zijn strafrechtelijk verleden - verkrachting,(1) met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, of zelfs met zware mishandeling, doch het door verzoeker gekozen woordgebruik noch de omstandigheden waaronder verzoekers uitlating plaatsvond, geven steun aan het oordeel dat de bedreiging zag op een misdrijf tegen het leven gericht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/901a05ab48a2239f2cc56c31025f79bc4bd035af32adad9d13bdf4380b76e44b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 901a05ab48a2239f2cc56c31025f79bc4bd035af32adad9d13bdf4380b76e44b, en de alinea staat in dat document op bytes 15556 tot 16314.