Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2005
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4039.
De middelonderdelen 1 en 2 zien evenwel eraan voorbij dat dit beginsel niet zonder uitzonderingen is, zoals uw Raad oordeelde in zijn hiervoor genoemde arrest van 12 mei 1989, NJ 1989, 647. In dit arrest overwoog uw Raad dat bedoelde regel van procesrecht met name uitzondering kan lijden ingeval "een der partijen in een procedure de juistheid van een daarin door haar ingenomen standpunt op voorhand en zonder voorbehoud afhankelijk stelt van de na de laatste proceshandeling in die procedure te verwachten uitspraak in een andere, voor dezelfde rechter tussen partijen aanhangige procedure en aldus afstand doet van de in voormeld beginsel gelegen bescherming". Zie ook Vranken in zijn noot onder de hiervoor genoemde beschikking van 3 juni 1988, NJ 1989, 5. In deze beschikking overwoog uw Raad dat voormeld beginsel was geschonden doordat het hof, dat in zijn tussenbeschikking partijen de opdracht had gegeven bepaalde bescheiden in het geding te brengen, bij eindbeschikking op de grondslag van de vervolgens overgelegde bescheiden had beslist zonder partijen in de gelegenheid te stellen op die bescheiden te reageren; dit, terwijl mede doordat het hof in zijn tussenbeschikking had nagelaten een dag voor de uitspraak te bepalen, partijen niet ervan uit behoefden uit te gaan dat het hof zonder nadere behandeling ter terechtzitting een eindbeschikking zou geven en evenmin uit de tussenbeschikking duidelijk was dat van partijen werd verwacht dat zij - zo zij daartoe aanleiding zouden zien - over en weer schriftelijk op de overgelegde bescheiden zouden reageren. Vranken wijst in zijn noot erop dat de gedachte kennelijk is dat ingevolge de vermelding van de dag waarop eindbeschikking zal worden gegeven bij partijen het besef moet doorbreken dat de rechter voornemens is te beslissen zonder verdere behandeling en dat, wanneer men dat niet wenst, men dit kenbaar moet maken. Zie verder nog uw hiervoor genoemde beschikking van 29 juni 1990, NJ 1990, 732, in verband met de eisen die aan de rechterlijke uitspraak of het proces-verbaal moeten worden gesteld met het oog op de controle in cassatie op de naleving van het beginsel dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken over de kennisneming waarvan en uitlating waarover partijen voldoende gelegenheid is gegeven: vergelijk op dit punt ook uw arrest van 29 november 2002, NJ 2004, 172, m.nt. HJS.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a810e7e58f20eefabc18a66228931624cf7c03efff08c8b5b7448ffd0fc08301. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a810e7e58f20eefabc18a66228931624cf7c03efff08c8b5b7448ffd0fc08301, en de alinea staat in dat document op bytes 18336 tot 20722.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a810e7e58f20eefabc18a66228931624cf7c03efff08c8b5b7448ffd0fc08301 | shasum -a 256