Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 september 2005
Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 23 september 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071.
4.9 Terecht heeft de rechtbank derhalve het vermoeden gerechtvaardigd geacht dat voorafgaand aan de indiening van de conclusie van antwoord een daad van bekendheid van [eiser] heeft plaatsgevonden. Hetgeen [eiser] thans in de memorie van grieven heeft aangevoerd doet daaraan niet af. Daarmee kan immers hetgeen in de genoemde conclusie van antwoord staat niet terzijde worden gesteld. Ten overvloede merkt het hof het volgende op. Dat [eiser] de Nederlandse taal niet machtig was is reeds in eerste aanleg gesteld en zowel toen als in hoger beroep gemotiveerd betwist door T.F.I.S., ook in eerste aanleg door het overleggen van in de Nederlandse taal gestelde stukken die door [eiser] zijn ondertekend. Wat daarvan zij, het hof gaat er zonder meer van uit dat tussen [eiser] en zijn raadsman communicatie mogelijk is, hetgeen ook blijkt uit de stelling in de memorie van grieven dat de raadsman met [eiser] over de feiten heeft gesproken. De stelling dat [eiser] nimmer de strekking van enig processtuk heeft begrepen acht het hof daarom niet aannemelijk en onvoldoende onderbouwd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/596eca4b9678c7dfbb114bb02a308421cf5ecf7df8b4f21e5d8b88c2e9e563aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 596eca4b9678c7dfbb114bb02a308421cf5ecf7df8b4f21e5d8b88c2e9e563aa, en de alinea staat in dat document op bytes 15812 tot 16908.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/596eca4b9678c7dfbb114bb02a308421cf5ecf7df8b4f21e5d8b88c2e9e563aa | shasum -a 256