Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 september 2005

Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 23 september 2005

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071.

2.18 Hoewel rechtbank en hof kennelijk op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 18 november 1966, NJ 1967, 34 in hun overweging betrekken dat aan de daad van de vertegenwoordiger van de veroordeelde een daad van deze zelf zal zijn voorafgegaan, is het vermoeden daaromtrent door het hof in rechtsoverweging 4.9 slechts afgeleid uit het aanhoren van het verstekvonnis als bedoeld in rechtsoverweging 4.8 waar dit aanhoren als een daad van bekendheid van [eiser] wordt bestempeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/596eca4b9678c7dfbb114bb02a308421cf5ecf7df8b4f21e5d8b88c2e9e563aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 596eca4b9678c7dfbb114bb02a308421cf5ecf7df8b4f21e5d8b88c2e9e563aa, en de alinea staat in dat document op bytes 26101 tot 26599.