Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2005
Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2005
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT9028.
In zijn tussenbeslissing heeft het Hof de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht gekwalificeerd als 'deelneming aan een vereniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven', strafbaar gesteld in art. 146 SrNA. De misdrijven waarop het oogmerk van de vereniging was gericht zijn strafbaar gesteld in de Opiumlandsverordening. Het 'Nederlandse' equivalent van art. 146 SrNA is art. 140 Sr. Het lijkt mij niet te boud om te veronderstellen dat de inhoud van art. 146 SrNA moet worden uitgelegd conform de uitleg van de inhoud van art. 140 Sr. Volgens de Hoge Raad brengt redelijke wetsuitleg mee dat voor deelneming in de zin van evengenoemd artikel voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie/vereniging tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De opgeëiste persoon hoefde dus evenmin wetenschap te hebben van de afzonderlijke misdrijven die als 'overt acts' in de 'indictment' telkens zijn opgenomen, waaronder de als a en b aangeduide 'overt acts'. Van 'deelnemen'' aan een dergelijke organisatie/vereniging is reeds sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.(6) Niet nodig is dus - zoals het Hof klaarblijkelijk wel verlangt - dat de opgeëiste persoon zelf betrokken was bij het aan land brengen in oktober 2003 van een partij van circa 2345 kilo cocaïne. Het gaat er niet om of het door de VS aangeleverde bewijsmateriaal de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze partij cocaïne aantoont, maar of dat materiaal voldoende aanwijzingen bevat voor de stelling dat de opgeëiste persoon in dier voege deelnam aan een organisatie/vereniging die het oogmerk had op de als afzonderlijke misdrijven genoemde 'overt acts', dat het niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat de Nederlands-Antilliaanse strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten, i.c. de misdrijven van art. 146 NASr, geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten. Het Hof heeft hetzij de maatstaf van art. 9 lid 3 onder b van het Verdrag onjuist uitgelegd door strengere eisen te stellen dan de Hoge Raad doet, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door voor art. 146 SrNA betrokkenheid bij de afzonderlijke misdrijven te verlangen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d5afde8d4ee59ff42acda47cb94c1ed4940a6283d53efb43e04033735acaf752. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d5afde8d4ee59ff42acda47cb94c1ed4940a6283d53efb43e04033735acaf752, en de alinea staat in dat document op bytes 16411 tot 19000.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d5afde8d4ee59ff42acda47cb94c1ed4940a6283d53efb43e04033735acaf752 | shasum -a 256