Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU6521.
2.8 Als niettemin een voortijdig einde van de overeenkomst van opdracht zou moeten worden aangenomen en de zaak met toepassing van art. 7:411 BW zou moeten worden beslist, zou mijns inziens allereerst aan de orde moeten komen of het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen; slechts in dat geval immers zou de opdrachtnemer op het volle loon recht hebben, indien zulks, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Uit de overwegingen van het hof, dat de volle, door [verweerster] gevorderde vergoeding van werkzaamheden toewijsbaar heeft geacht, vloeit mijns inziens niet voort dat het (mogelijk aan te nemen) einde van de overeenkomst aan de gemeente is toe te rekenen. In rov. 3.3 heeft het hof immers geoordeeld dat "(g)elet op de inhoud van de gedingstukken (...) het niet totstandkomen van een gezamenlijk advies veeleer (lijkt) terug te voeren op een verschil in visie tussen de deskundigen ten aanzien van de aan hen voorgelegde vragen".
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba, en de alinea staat in dat document op bytes 21315 tot 22309.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba | shasum -a 256