Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU6521.

Bij die stand van zaken deel ik de aan het onderdeel ten grondslag gelegde veronderstelling dat het hof kennelijk is uitgegaan van de rechtsopvatting dat een opdracht zoals in casu aan de deskundigen is verstrekt, vanwege de daartegen uit "de aard van de werkzaamheden van een taxateur" voortvloeiende bezwaren, nimmer tot een resultaatsverbintenis voor de deskundigen kan leiden. Naar mijn mening is die rechtsopvatting onjuist. Ik zie niet in waarom een deskundige die, zoals in het onderhavige geval, met twee andere op hetzelfde gebied geverseerde deskundigen bij wege van bindend advies nieuwe erfpachtcanons moet vaststellen, niet anders dan in strijd met zijn verplichting om zijn werkzaamheden naar beste weten te verrichten zou kunnen handelen, indien binnen de (wat ik nu maar zal aanduiden als) bindend-adviescommissie niet aanstonds overeenstemming over het uit te brengen advies bestaat. Aan de opzet van een commissie van drie deskundigen (die overigens worden benoemd volgens een procédé dat een gelijke invloed van elk van de bij de procedure betrokken partijen moet waarborgen, hetgeen een mogelijk uiteenlopende inbreng van de verschillende deskundigen veronderstelt) is immers eigen dat het uiteindelijke, gezamenlijke advies weliswaar op de opvattingen van de deskundigen moet steunen, maar niet noodzakelijkerwijs met de individuele opvattingen van elk van de betrokken deskundigen behoeft overeen te stemmen en evengoed een grootste gemene deler, een gemiddelde van die opvattingen of zelfs de opvatting van een meerderheid binnen die commissie kan reflecteren. Dat de verschillende deskundigen daarbij, naar beste weten handelend, zullen trachten hun respectieve opvattingen zoveel mogelijk bij de mededeskundigen ingang te doen vinden, spreekt vanzelf, maar sluit concessies ten behoeve van het uiteindelijke advies allerminst uit. Overigens kan men zich voorstellen dat een deskundige die zich, zonder zijn professionele geweten geweld aan te doen, niet met een bepaald compromis binnen de commissie kan verenigen, daaraan als consequentie verbindt dat hij zijn opdracht teruggeeft. Ik zie echter niet in waarom dit reden zou moeten zijn de verbintenis van de deskundige principieel het karakter van resultaatsverbintenis te ontzeggen. De deskundige weet waarvoor hij wordt gevraagd, wat partijen van de te benoemen deskundigen verlangen en wellicht zelfs met wie hij zijn werkzaamheden zal moeten uitoefenen; het valt niet in te zien waarom zelfs in beginsel niet van de deskundige zou mogen worden verlangd dat hij, alvorens de opdracht te aanvaarden, zich van het risico van een dergelijk terugtreden rekenschap geeft en dat risico vervolgens in de relatie tot zijn opdrachtgever(s) draagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba, en de alinea staat in dat document op bytes 25641 tot 28374.