Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006
Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU6521.
2.15 Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat het hof in rov. 3.3 heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de in het eerste tekstblok van die rechtsoverweging bedoelde situatie zich hier zou hebben voorgedaan, "terwijl de gemeente - die slechts in algemene termen heeft aangevoerd dat [verweerster] zich niet voldoende heeft ingespannen en onvoldoende constructief overleg heeft gevoerd met zijn mede-deskundigen, hetgeen deze gemotiveerd betwist - daartoe ook geen voldoende concrete, terzake dienende feiten heeft gesteld". Dit oordeel, dat in cassatie niet is bestreden, impliceert dat de gemeente niet naar behoren aan haar stelplicht met betrekking tot het zich voordoen van een situatie zoals in rov. 3.3, eerste tekstblok, bedoeld, heeft voldaan. Kennelijk heeft het hof het beroep van de gemeente op de fouten in de taxatierapporten van [verweerster] en de in die rapporten vervatte en naar het oordeel van de gemeente opmerkelijk lage taxatie niet als een onderbouwing van de door de gemeente beweerde obstructie van [verweerster] opgevat. Dat is niet onbegrijpelijk, nu de gemeente in haar memorie van grieven onder 4.4-4.8 de fouten in de taxatierapporten ook niet in verband heeft gebracht met een opstelling van [verweerster] die de totstandkoming van een gezamenlijk advies zou hebben verhinderd. Het verwijt van de gemeente dat [verweerster] onvoldoende constructief overleg met de beide andere deskundigen heeft gevoerd (memorie van grieven onder 4.5), lijkt daarentegen geheel los te staan van het verwijt dat de taxatierapporten van [verweerster] fouten bevatten (memorie van grieven onder 4.6) en in een naar de mening van de gemeente opmerkelijk lage taxatie uitmondden (memorie van grieven onder 7). Bij die stand van zaken (en aangenomen dat het zich al dan niet voordoen van een situatie zoals in rov. 3.3, eerste tekstblok, bedoeld, beslissend was) heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven en zijn oordeel niet onvoldoende gemotiveerd, door de gestelde gebreken in de taxatierapporten buiten beschouwing te laten, in plaats van deze te onderzoeken op mogelijke aanwijzingen dat van een situatie zoals in rov. 3.3, eerste tekstblok, bedoeld, sprake was. Bij die stand van zaken is het evenmin rechtens onjuist of onbegrijpelijk, dat het hof het bewijsaanbod van de gemeente met betrekking tot de gestelde fouten in de taxatierapporten en de opmerkelijk lage taxatie heeft gepasseerd. Alhoewel aan de gemeente kan worden toegegeven dat het aan een voldoende specificiteit van het bewijsaanbod niet ontbrak, beschouwde het hof, dat slechts het zich al dan niet voordoen van een situatie als bedoeld in rov. 3.3, eerste tekstblok, beslissend heeft geacht, het bewijsaanbod van de gemeente - niet onbegrijpelijk - als (in zijn benadering) niet ter zake dienend. Het derde onderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba, en de alinea staat in dat document op bytes 36425 tot 39316.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ca12fb33d2d2729a5b71ff54005fa9ef8f69175b3272c21c1ae3e54d37f710ba | shasum -a 256