Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2006

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV0043.

De op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde uitzonderingsclausule van het derde lid van art. 141 is bij Nota van wijziging toegevoegd naar aanleiding van vragen van de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer met betrekking tot de aanvankelijk voorgestelde tekst, waarin geen uitzonderingsclausule voorkwam. De commissie vroeg - onder verwijzing naar het advies van de Raad van State - of het geen aanbeveling verdient om uitdrukkelijk te bepalen dat het vermoeden van art. 141 lid 3 niet geldt ten aanzien van vermogen dat ingevolge art. 1:134 (inhoudende dat geen verrekening plaatsvindt ten aanzien van goederen waaraan een uitsluitingsclausule is verbonden) buiten de verrekening blijft, bij welke beantwoording zij betrokken wilde zien de door Luijten (WPNR 6432, 2001, p. 99 r.k.) gestelde vraag waarom bij verrekening van inkomsten ervan moet worden uitgegaan dat het aanwezige vermogen is ontstaan uit inkomsten. Deze vraag is in door de staatssecretaris als volgt beantwoord in de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 27 554, nr. 5, p. 12-13):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b03d70942fb695475bf8c5d26530f06203e6bf817861a16b8e859e60a62368d1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b03d70942fb695475bf8c5d26530f06203e6bf817861a16b8e859e60a62368d1, en de alinea staat in dat document op bytes 31206 tot 32323.