Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2006

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV0043.

15. Uit de wettekst en de hiervoor geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde uitzondering op het in art. 1:141 lid 3 neergelegde bewijsvermoeden betrekking dient te hebben op de aard en omvang van de verrekenplicht, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan het geval dat de te verrekenen arbeidsinkomsten veel geringer in omvang zijn dan hetgeen onder een uitsluitingsclausule krachtens erfrecht is verkregen. Dat geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor, niet alleen omdat het verrekenbeding ook de inkomsten uit vermogen omvat en de aanwezigheid van een uitsluitingsclausule is gesteld noch gebleken, maar ook omdat de erfrechtelijke verkrijging van de man - die zoals onder 9 is betoogd slechts een deel van de geschatte waarde van de woning bedroeg (f 2.229,20 van de geschatte waarde van f 25.000,-) - niet het grootste deel van het ten tijde van de echtscheiding aanwezige vermogen uitmaakt. De omstandigheid die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat van het bewijsvermoeden moet worden afgeweken, te weten dat de vrouw naar 's hofs (in cassatie overigens) bestreden oordeel is tekortgeschoten in de administratieve verslagging waarvoor zij verantwoordelijk kon worden gehouden, houdt geen verband met de aard en de omvang van de verrekenplicht en kan derhalve 's hofs oordeel dat moet worden afgeweken van het bewijsvermoeden als neergelegd in art. 1:141 lid 3 niet dragen. Met zijn oordeel ziet het hof overigens eraan voorbij dat het bewijsvermoeden van art. 141 lid 3 een wezenlijk onderdeel vormt van hetgeen geldt - voorheen krachtens jurisprudentie en thans ingevolge de nieuwe wettelijke regeling inzake verrekenbedingen - voor de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven en ter zake waarvan partijen ook niet een zodanige administratie hebben bijgehouden dat de verdeling in overeenstemming met de strekking van hun verrekenbeding nog zou kunnen plaatsvinden; het komt mij voor dat de door het hof gevolgde gedachtegang geen recht doet aan de omstandigheid dat de rechtvaardiging van bedoelde regels, zoals hiervoor onder 9 gezegd, daarin ligt dat wordt aangesloten bij het feit dat de echtgenoten zelf ervoor hebben gekozen geen uitvoering te geven aan hetgeen in de huwelijkse voorwaarden was bepaald, een keuze die los staat van de vraag aan wie van beide echtgenoten het voeren van de administraties was opgedragen. Naar mijn oordeel verzet ook de hanteerbaarheid van het systeem zich tegen de door het hof geformuleerde uitzondering op het bewijsvermoeden van art. 141 lid 3 BW. Middelonderdeel 4 klaagt in zoverre terecht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs arrest kan niet in stand blijven en verwijzing zal moeten volgen; de overige cassatieklachten vervat in middelonderdeel 4 en in de middelonderdelen 2 en 3 behoeven naar mijn oordeel bij gebrek aan belang geen behandeling meer.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b03d70942fb695475bf8c5d26530f06203e6bf817861a16b8e859e60a62368d1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b03d70942fb695475bf8c5d26530f06203e6bf817861a16b8e859e60a62368d1, en de alinea staat in dat document op bytes 34382 tot 37400.