Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 september 2006

Alinea 98 Parket bij de Hoge Raad 19 september 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV1141.

41. Ook indien over het voorgaande anders wordt geoordeeld, zal het middel mijns inziens niet kunnen slagen. In casu is het vereiste verband naar mijn oordeel aanwezig. De herkomst en oorsprong van de overzichtstabellen blijkt uit bewijsmiddel 4. Deze bescheiden vinden voorts inhoudelijke bevestiging in de verklaringen van de vertegenwoordigers van het bedrijf (bewijsmiddelen 1 en 2). Dat die verklaringen, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, afgeleid zijn van de eigen BAWR en daarom niet als steunbewijs kunnen gelden, komt mij niet juist voor. Die verklaringen houden niet alleen in dat de BAWR-gegevens overschrijdingen van de norm te zien gaven, maar ook dat er sprake was van overschrijdingen die hebben geleid tot ingrijpende investeringen om verdere overschrijdingen in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen. Aldus ligt in die verklaringen de erkenning besloten dat de belastende BAWR-gegevens juist zijn. Die erkenning is kennelijk gebaseerd op de kennis die de beide vertegenwoordigers hadden van de gang van zaken binnen het bedrijf - op grond waarvan zij geen reden zagen om aan de juistheid van de metingen te twijfelen - en op het effect dat de investeringen hebben gehad.(11)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/179da8eac7136dce834b6ef58b299f199e4470eda62079e909b1d3fb8eea1d12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 179da8eac7136dce834b6ef58b299f199e4470eda62079e909b1d3fb8eea1d12, en de alinea staat in dat document op bytes 45764 tot 46991.