Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 december 2006

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 8 december 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV2923.

9.1. In cassatie moet veronderstellenderwijze worden uitgegaan van de - door het Hof in het midden gelaten - juistheid van belanghebbendes stelling volgens welke haar vier directeuren de vennootschap (belanghebbende) belichamen. Met deze stelling bedoelt zij klaarblijkelijk te betogen dat bij haar directeuren, door middel van hun aandelenbezit, het vermogensrechtelijke belang in de vennootschap berust, hetgeen dan zou meebrengen dat de directeuren, die ter zake van het verzwijgen van de omzet van de vennootschap schikkingsbedragen hebben betaald, bij het opleggen van een verhoging aan belanghebbende wegens dezelfde feiten, andermaal in hun vermogen zouden worden getroffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fffecc24dead1af03d3a4c9f0114ce79e8bbefe08a35e9cd9264c9db0de3d98e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fffecc24dead1af03d3a4c9f0114ce79e8bbefe08a35e9cd9264c9db0de3d98e, en de alinea staat in dat document op bytes 19032 tot 19726.