Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 maart 2006

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 31 maart 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 maart 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV3387.

17. De klacht dat onbegrijpelijk is dat het hof bij de beoordeling van de vraag of het beroep op de weigeringsgrond van art. 13 lid 1, aanhef en onder b, HKOV slaagt, waarde heeft gehecht aan de toezeggingen van de vader, faalt. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat er voldoende grond is om aan te nemen dat de vader de door hem ter terechtzitting gedane toezeggingen gestand zal doen. Uitgaande van dit aan het hof voorbehouden, feitelijk oordeel en in aanmerking genomen dat de weigeringsgrond van art. 13 lid 1, aanhef en onder b, HKOV, mede gelet op art. 11 van de in deze zaak toepasselijke zgn. Brussel II-bis Verordening (Verordening(EG) nr. 2201/2003, PbEG L 338, p. 1), restrictief dient te worden toegepast (zie HR 20 januari 2006, RvdW 2006, 103), is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het gevaar voor de kinderen dat zij bij terugkeer naar Frankrijk van de moeder worden gescheiden, niet zó sterk aanwezig is dat daarmee de uitzondering van art. 13 lid 1, aanhef en onder b, HKOV een gegeven is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08d29d23495a2c7ab45714aa16992befa5df5eb22dfa605593eb6a35ce0ec171. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08d29d23495a2c7ab45714aa16992befa5df5eb22dfa605593eb6a35ce0ec171, en de alinea staat in dat document op bytes 18094 tot 19136.