Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2006

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV4191.

7. Gezien de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheid dat de verdachte zich in een observatiecel bevond, is zo onwaarschijnlijk dat hij in staat zou zijn aan zijn voornemen tot het gooien van een handgranaat uitvoering te gevan, dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk is hoe verdachtes uitlating bij [betrokkene 4] de redelijke vrees kon doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. [betrokkene 4] moet ongetwijfeld begrepen hebben dat verdachtes uitlating op grootspraak berustte ook al was de verdachte door het dolle heen. Dat wordt niet anders wanneer zou worden aangenomen dat [betrokkene 4] ten tijde van verdachtes uitlating jegens hem ervan op de hoogte was dat de verdachte zich bij zijn aanhouding hevig had verzet en daarbij zelfs een verbalisant had gebeten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/75a96fcfb4cedd20cafdb67bfc470d453cc635f8c852ce8825e9f939f82165ca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 75a96fcfb4cedd20cafdb67bfc470d453cc635f8c852ce8825e9f939f82165ca, en de alinea staat in dat document op bytes 8185 tot 9003.