Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2006
Alinea 262 Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV9378.
57 EHRM 17 januari 1970, serie A, vol. 11, 2689/65. In latere jurisprudentie is deze uitleg van art. 6 EVRM bestendigd, bijvoorbeeld in EHRM 26 oktober 1984, NJ 1988, 744 (Golder/Verenigd Koninkrijk). De jurisprudentie van de Hoge Raad is hiermee in lijn; een willekeurige greep daaruit: HR 17 november 1989, NJ 1990, 496, HR 24 april 1992, NJ 1992, 672, HR 26 november 1999, NJ 2000, 210. Zie verder: Burgerlijke Rechtsvordering, Mollema, art. 332, aant. 4, Snijders/Wendels (2003), p. 31, P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, diss. Rotterdam 1996, p. 43, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering Kluwer Deventer 2005, p. 546, 547 en de aldaar genoemde vindplaatsen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab59eb8a002acbf385b4fe6a28223c0fd0b2b757633db58128aa746b68019316. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab59eb8a002acbf385b4fe6a28223c0fd0b2b757633db58128aa746b68019316, en de alinea staat in dat document op bytes 91355 tot 92058.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ab59eb8a002acbf385b4fe6a28223c0fd0b2b757633db58128aa746b68019316 | shasum -a 256