Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006

Alinea 130 Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX3752.

28. Art. 86, derde lid, Sv houdt, voorzover hier van belang, in dat de rechter ingeval van opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis beveelt dat de gestorte geldswaarden zullen worden teruggegeven. Voorts bepaalt art. 85 Sv, voorzover hier van belang, dat de rechter "indien het voortduren der zekerheid niet langer noodzakelijk is" op verzoek van de verdachte beveelt dat de gestorte geldswaarden zullen worden teruggegeven. Ook voor een dergelijk op art. 85 Sv gebasseerd verzoek geldt dat het Hof bevoegd is daarover te oordelen (art. 86, eerste lid, Sv) en dat het Hof, als het verzoek ter terechtzitting wordt gedaan, daarover op de zitting een beslissing moet geven (art. 21, eerste lid, Sv). Een eerste vraag die rijst, is hoe het in casu gedane verzoek tot terugstorting van de waarborgsom moet worden begrepen. Werd die terugstorting door de verdediging gezien als het noodzakelijke gevolg van de verzochte opheffing van de voorlopige hechtenis (zodat van een zelfstandig verzoek geen sprake was)? Of was het verzoek bedoeld als een verzoek in de zin van art. 85 Sv, dat los stond van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/982dadca8d4b1c041ce37daded08b092b2b7f9ce2b9e22c0e8c6b8a9a643eb19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 982dadca8d4b1c041ce37daded08b092b2b7f9ce2b9e22c0e8c6b8a9a643eb19, en de alinea staat in dat document op bytes 51123 tot 52291.