Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006

Alinea 136 Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX3752.

34. Misschien kan men dit probleem oplossen door een beslissing te fingeren en te stellen dat in het stilzwijgen van het Hof een afwijzing van het verzoek ligt besloten. Dat opent dan tegelijk de mogelijkheid om die impliciete beslissing op begrijpelijkheid te toetsen. Wellicht zou dan in het onderhavige geval geoordeeld kunnen worden dat de afwijzing van het ongemotiveerde verzoek (door de verdediging is niets aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het voorduren van de zekerheid niet langer noodzakelijk is) niet onbegrijpelijk is. De verdachte schiet dan met het inlezen van een afwijzing in het arrest van het Hof niets op. Dat is echter niet veel anders als de impliciete afwijzing zou worden gecasseerd. Wat volgt is dan dat op het verzoek alsnog wordt beslist, hetzij door de Hoge Raad die de zaak zelf afdoet, het door de rechter naar wie wordt verwezen of teruggewezen. Dat resultaat had de verdachte ook, en sneller, kunnen bereiken als hij een herhaald verzoek had gedaan. Ik merk daarbij op dat de constructie van de gefingeerde of impliciete afwijzing niet goed valt te rijmen met de strenge jurisprudentie inzake art. 330 Sv. Als die constructie hier aanvaardbaar wordt geacht, zal onmiddellijk de vraag rijzen waarom bij art. 330 Sv niet langs dezelfde lijn zou kunnen worden geredeneerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/982dadca8d4b1c041ce37daded08b092b2b7f9ce2b9e22c0e8c6b8a9a643eb19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 982dadca8d4b1c041ce37daded08b092b2b7f9ce2b9e22c0e8c6b8a9a643eb19, en de alinea staat in dat document op bytes 55902 tot 57233.