Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006

Alinea 244 Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX3752.

31 Verdedigd kan misschien worden dat, nu aan het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis het verzoek tot terugstorting van de waarborgsom was verbonden, verdachte nog steeds belang heeft bij zijn klacht dat over het primaire verzoek niet is beslist. Wie deze weg wil bewandelen, stuit op de nodige problemen. De eerste is of wel geklaagd kan worden over een - de einduitspraak niet rakende - beslissing die niet is genomen. Zie daarover aanstonds. Neemt men aan dat alleen ten aanzien van de niet-beslissing kan worden gecasseerd, dan rijst de vraag of de Hoge Raad - als hij de zaak zelf afdoet - de voorlopige hechtenis kan opheffen op het moment waarop die hechtenis door het onherroepelijk worden van de einduitspraak al van rechtswege een einde neemt. Als de Hoge Raad zich niet in staat acht zonder onderzoek van de zaak opnieuw recht te doen en de zaak daarom ten aanzien van de nevenuitspraak verwijst of terugwijst, moet de rechter waarnaar is verwezen over de opheffing van de voorlopige hechtenis oordelen nadat deze is geëindigd. Daar lijkt deze weg dus dood te lopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/982dadca8d4b1c041ce37daded08b092b2b7f9ce2b9e22c0e8c6b8a9a643eb19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 982dadca8d4b1c041ce37daded08b092b2b7f9ce2b9e22c0e8c6b8a9a643eb19, en de alinea staat in dat document op bytes 87827 tot 88934.