Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2006

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX7487.

Naar mijn inzicht is daarmee geen afdoende reden gegeven om verzoekers ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, voor zover betrekking hebbend op het transport van eind mei 1998, aldus weer te geven dat hij heeft erkend dat dit transport heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft dit onderdeel van de verklaring een wezenlijk andere betekenis gekregen dan verzoeker heeft beoogd, aangezien diens verklaring, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting, ondubbelzinnig inhoudt dat het desbetreffende transport nimmer heeft plaatsgevonden. Aldus is dit onderdeel van verzoekers verklaring in feite tot bewijs gebezigd als 'kennelijk leugenachtig'. Dat is slechts onder strikte voorwaarden toelaatbaar. Met name moet het oordeel aangaande de 'kennelijke leugenachtigheid' steun kunnen vinden in overige bewijsmiddelen, HR 18 januari 2005, LJN AR6616. Aan die voorwaarde is niet voldaan, nu bewijsmiddel 3, de verklaring van medeverdachte [persoon 1], eerder steun lijkt te bieden aan verzoekers opgave dat het tot 10 juni 1998 uitgestelde transport is geëindigd met ingrijpen van de politie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5a8a243b97b5813512678d427d7b50bb36ebba6c0bd43af9ae0c04a66cbdeeb9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5a8a243b97b5813512678d427d7b50bb36ebba6c0bd43af9ae0c04a66cbdeeb9, en de alinea staat in dat document op bytes 17494 tot 18623.