Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006
Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX7774.
10. Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het hof, blijkens de in r.o. 3.1 gekozen bewoordingen, de vraag of [verweerder] [eiser] voor zijn bewijslevering (de gegevens uit) haar vaartijdenboek ter beschikking had dienen te stellen, kennelijk heeft getoetst aan art. 843a Rv, zoals dit artikel luidt na de wetswijziging per 1 januari 2002. Dit (impliciete) overgangsrechtelijke oordeel van het hof wordt in cassatie niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan in cassatie dient te worden uitgegaan. Voorts heeft het hof, door inhoudelijk op de vraag in te gaan, kennelijk geoordeeld dat [eiser] geacht moet worden nakoming van de exhibitieplicht door [verweerder] met betrekking tot het vaartijdenboek regelmatig te hebben gevorderd. Ook dit (impliciete) oordeel van het hof wordt in cassatie niet bestreden, zodat eveneens van de juistheid van dit oordeel in cassatie dient te worden uitgegaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebc1cfc47e957fd33bf4238d60a059abf21ecbd29e4207b66db4e00305799e5c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebc1cfc47e957fd33bf4238d60a059abf21ecbd29e4207b66db4e00305799e5c, en de alinea staat in dat document op bytes 12064 tot 12989.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ebc1cfc47e957fd33bf4238d60a059abf21ecbd29e4207b66db4e00305799e5c | shasum -a 256