Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006

Alinea 136 Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX8295.

In dit oordeel ligt besloten dat het verhoor van art. 66 Fw plaats vindt tijdens een terechtzitting. Noch de tekst van art. 66, noch de toelichting op deze wetsbepaling, noch de literatuur biedt echter steun voor dit oordeel. M.i. geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik meen dat voor het informele verhoor als bedoeld in art. 66 Fw geen nadere voorschriften door de wetgever zijn opgesteld opdat de rechter-commissaris, die opheldering behoeft van de omstandigheden van het faillissement, de gewenste informatie snel en zonder verdere plichtplegingen kan verkrijgen. In zoverre gelden hier m.i. dezelfde utiliteitsredenen die Berger, zoals hiervoor vermeld, bij art. 4 Fw aanwezig acht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe0c64d5b2b798a10161a6045d1cd5aa0bc618b58455226d85f0271d1213051e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe0c64d5b2b798a10161a6045d1cd5aa0bc618b58455226d85f0271d1213051e, en de alinea staat in dat document op bytes 54081 tot 54803.