Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2006

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX8691.

12. Het voorgaande maakt dat de vraag welke belangen met de vermelding van de vordering van de officier van justitie zijn gediend, niet eenvoudig is te beantwoorden. Als ik het goed zie zijn de volgende drie belangen te onderscheiden. In de eerste plaats kan de verplichting gezien worden als een nagalm van het oorspronkelijk door de kamerleden Griffith en Wolfsen ingediende amendement waarmee een sterke binding van de rechter aan de eis van het openbaar ministerie werd nagestreefd. Weliswaar hoeft niet langer elke afwijking te worden gemotiveerd, maar de verplichting om de eis te vermelden maakt de rechter wel duidelijk dat die eis in de oordeelsvorming een belangrijk gegeven dient te vormen. Zogezien vormt het voorschrift een versterking van de positie van het openbaar ministerie. In de tweede plaats kan de verplichting worden gezien als een poging om de begrijpelijkheid van de uitspraak voor derden (dat wil zeggen degenen die niet als deelnemer bij het proces betrokken waren) te vergroten. Omdat het standpunt van de officier van justitie een belangrijk gegeven is om de uitspraak te kunnen begrijpen, moet het publiek daarvan uit het vonnis zelf kennis kunnen nemen. Bij beide belangen kan men zich afvragen of niet van een zekere eenzijdigheid sprake is. Want ook het standpunt van de verdediging dient voor de rechter een belangrijk gegeven te zijn. Waarom zou dat ook niet steeds moeten worden vermeld?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/285b366d7e17ac4d27d8951e9f2f9afc459a1df08d8fb6e8dae30f0e0de4076b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 285b366d7e17ac4d27d8951e9f2f9afc459a1df08d8fb6e8dae30f0e0de4076b, en de alinea staat in dat document op bytes 10947 tot 12383.