Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006
Alinea 82 Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX8847.
2.23. Voor verrekening op grond van art. 1:141 lid 4 BW komen, naast de uitgekeerde ondernemingswinsten (als inkomsten van de echtgenoot), in aanmerking: de niet uitgekeerde ondernemingswinsten, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd. Of de niet uitgekeerde winsten in zoverre kunnen worden beschouwd als een belegging (in de eigen B.V.) van onverteerde `quasi-inkomsten' van de echtgenoot-DGA, is een voornamelijk theoretische discussie(18). Het vereiste dat de desbetreffende echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, heeft wel praktische betekenis(19). In het verleden is in de vakliteratuur wel een ruimere toepassing van de beleggingsleer verdedigd(20).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0aa6bf16601cf3c30fe98f4fc57c849aeb60ac68b112ec5074f7679c4fde9688. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0aa6bf16601cf3c30fe98f4fc57c849aeb60ac68b112ec5074f7679c4fde9688, en de alinea staat in dat document op bytes 36983 tot 37758.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0aa6bf16601cf3c30fe98f4fc57c849aeb60ac68b112ec5074f7679c4fde9688 | shasum -a 256